De Paling
De paling heeft
een heel afwijkende lichaamsbouw in vergelijking met de meeste
andere in Nederland voorkomende vissoorten. Zijn slangachtige
bouw zorgt ervoor dat hij zich razendsnel kan ingraven als er
gevaar dreigt. Het grootste gedeelte van de dag ligt hij dan ook
ingegraven, om 's nachts tevoorschijn te komen om te gaan jagen.
Hij jaagt hierbij, met zijn, buisvormige goed ontwikkelde
neusgaten, hoofdzakelijk op de reuk. Hij lokaliseert hiermee
ongewervelden zoals vlokreeften, muggenlarven en aasgarnalen om
ze vervolgens bliksemsnel te vangen en op te eten. Als de paling
groter wordt richt hij zich op grotere prooien, en afhankelijk
daarvan ontwikkelt hij zich in een breed of spitskoppige paling.
Het mannetje wordt niet groter dan 40 cm. terwijl het vrouwtje,
dat ook veel langer in het zoete water blijft, een lengte kan
bereiken van 120 cm.
Het
meest bijzondere van de paling is zonder meer zijn
voortplanting. Nadat ze zo'n 5 tot 20 jaar in onze zoete wateren
hebben geleefd, vertrekken ze naar zee om zich te gaan
voortplanten. Voor ze echter in volle zee zijn hebben ze al een
hele tocht achter de rug. Palingen in afgesloten wateren trekken
hierbij over land. Geholpen door hun slijmachtige huid, trekken
ze over vochtige weilanden tot ze weer water bereiken. Algemeen
aangenomen wordt, dat de geslachtsrijpe paling (blanke aal) een
trektocht maakt van 6000 kilometer, naar de, bij Zuid Amerika
gelegen, Sargassozee. Daar aangekomen planten zij zich voort en
sterven. De larven laten zich vervolgens op de golfstroom
meevoeren naar Europa. In de twee jaar dat de reis duurt,
veranderen ze van een bladvormige larve in een glasaaltje. Met
miljoenen tegelijk zwemmen ze dan de Europese rivieren op.
Classificatie
en namen
Vis; orde: Anguilliformes (aalachtigen); familie:
Anguillidae (palingen)
Beschrijving
Levensbeschrijving: palingen worden als larven in de
Saragasso Zee geboren uit eieren van 1.1 mm doorsnee en lijken
op een opgerold blad. De larven reizen met de zeestromingen naar
Europa in ongeveer 3 jaar. Zij worden dan glasaal en zwemmen
stroomopwaarts de rivieren en meren in. Na een aantal jaar
reizen zij stroomafwaarts als volwassenen en zwemmen dan terug
naar de Saragasso Zee om kuit te schieten en te sterven.
Beschrijving
van palingen in zoetwater
Lang, slangachtig lichaam met 110-120 wervels. Onderkaak steekt
uit. Lange rug - en borstvinnen, die beginnen achter de kieuwen
en samenkomen op het eind van de staart. Kleine, ronde ogen.
Taai, slijmerige huid.
Kleur: rug donker (verscheidene kleuren komen
voor: blauw, olijf -groen, rood, bruin en zwart) en onderzijde
licht van kleur (wit of gelig)
Lengte: mannetjes tot 50 cm, vrouwtjes tot 1 m (max.
135 cm)
Verspreiding
Europese Paling komt voor in de rivieren van de
oostelijke Noord-Atlantische Oceaan van de Witte Zee, de Oostzee
en de Noordzee in het noorden tot Noord Afrika, de Middellandse
Zee en de Zwarte Zee in het zuiden.
Migratie:
na enige jaren worden palingen zilverpalingen of schieraal als
hun rug zwart en hun onderzijde zilverkleurig worden. De ogen
worden groter en hun kop breder en puntiger. Daarna beginnen zij
terug te zwemmen naar de Saragasso Zee, waar zij kuitschieten op
400-700 m diepte.
Habitat
Palingen leven op de bodem van zoetwater (bijv. rivieren, beken,
meren, vijvers) in modder of onder stenen in temperaturen tussen
0 en 30°C en tot hoogten van 1000 m. In kleinere aantallen ook
in zoute en brakke kustwateren.
Palingen in lagere delen van rivieren zijn vaak kleiner en vaker
mannetjes. Vrouwtjes zwemmen vaak verder stroomopwaarts.
Voedsel
Palingen eten bijna alle waterdieren (zowel in zout - als
zoetwater). Heeft voorkeur voor vissen en invertebraten.
Volwassen paling eet niet tijdens migratie in zee.
Gedrag en
voortplanting
Foerageren: palingen in zoetwater zijn nachtdieren en
bodemvissen.
Mobiliteit: kan stroomopwaarts zwemmen en over
land glijden. Zwemt 20-40 km/dag op weg naar de Saragasso Zee
Volwassenheid: varieert, mannetjes na 6-12 jaar in
zoetwater, vrouwtjes na 10-20 jaar in zoetwater.
Voortplantingscapaciteit: vrouwtjes leggen
miljoenen eieren
Voortplantingsperiode: palingen trekken naar zee
in September/November, sperma en eieren worden op weg naar de
Saragasso Zee geproduceerd, kuitschieten in de Saragasso Zee in
Maart/April
Levensduur: drijven van de Saragasso Zee naar
Europa als larve duurt 3 jaar; mannetjes blijven 6-12 jaar in
zoetwater, vrouwtjes blijven 9-20 jaar in zoetwater. Sterven na
kuitschieten. Oudst bekende paling 85 jaar.
Predatie en competitie
Palingen worden gegeten door vogels en otters.
Bedreigingen
overbevissing
inpolderingen
afsluiting van
rivieren
Bescherming
De paling staat als gevoelige diersoort op de Nederlandse Rode
Lijst van beschermde zoetwatervissen.
De
toestand van de Europese aalstand en –visserij.
De achteruitgang
van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons
land, maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het
wetenschappelijk advies erop aan een internationaal herstelplan
op te stellen. Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15
april 2002 onze Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven
niet te willen wachten, maar nationaal alvast een begin te
willen maken met een herstelplan. In dat kader wil ik proberen
hier de relevante informatie overzichtelijk samen te vatten. In
dit artikel beschrijf ik de feitelijk bestaande toestand en de
voorafgaande ontwikkelingen; in een tweede artikel zal ik ingaan
op de oorzaken van de achteruitgang, de gevolgen en mogelijke
remedies.
Inleiding
De Europese aal
(Anguilla anguilla (L.) staat model voor alle aal -
soorten. Het geslacht van de rivier -alen is door Linnaeus
beschreven aan de hand van deze ene soort. Het grootste deel van
onze wetenschappelijke kennis over alen is gebaseerd op
onderzoek van deze aal. Dat onderzoek begon al bij Aristoteles (ca.
400 v. Chr.), die het eerste wetenschappelijke experiment met
vis uitvoerde. Hij beschrijft hoe een zoetwater -poel werd
leeggeschraapt. Nadat de regen de poel weer had gevuld, bleken
er opnieuw alen in de poel aanwezig te zijn. Aristoteles leidde
daaruit af, dat aal uit de modder in de bodem spontaan kan
ontstaan, zonder dat er vooraf aal aanwezig is. Dit beeld van
spontane generatie wordt nu niet meer geloofd. De werkelijke
voortplanting van aal is pas veel later uitgezocht (het eerste
voor de Europese aal) door de Deen Johannes Schmidt: het wel
bekende verhaal van de voortplanting in de Sargasso-zee.
Overigens moeten we daarbij niet uit het oog verliezen, dat het
tot op de dag van vandaag niet echt gelukt is de paaiende alen
te vinden en dat ook kunstmatige voortplanting in het
laboratorium niet succesvol is. In de Sargassozee vinden we
echter de kleinste larfjes en daarom nemen we aan dat de plaats
van de voortplanting daar dichtbij is. Maar de Sargassozee is
een zee -gebied, dat in feite groter is dan geheel Europa; de
plaatsbepaling is dus nog niet zo erg exact! In veel opzichten
zijn de inzichten van Schmidt in de biologie van de Europese aal
uitgegroeid tot ware mythes, bij het brede publiek, maar ook bij
serieuze wetenschappers. Hoe het ook zij, het is duidelijk dat
de Europese aal een vooraanstaande positie inneemt. De Europese
aal komt voor in een groot gebied, dat geheel Europa, noordelijk
Afrika en de aan de Middellandse zee gelegen delen van Azië
omvat. Typische aalvisserijen worden echter gekenmerkt door een
kleinschalige opzet, met slechts enkele vissers, op een klein
wateroppervlak (gemiddeld ca. 8 km2). Het beheer van de
aalvisserij heeft tot op heden uitsluitend plaatsgevonden op
plaatselijk of regionaal niveau. Deze versnipperde aanpak staat
in schril kontrast met de neergang in de aalstand, die in de
afgelopen decennia overal in het verspreidingsgebied is
opgetreden. Bovendien is de handel in aal de afgelopen jaren
uitgegroeid naar een wereldschaal: wereldwijde transporten van
levende aal of kant –en -klare eind -producten zijn tegenwoordig
aan de orde van de dag. Dat betekent dat onze aal niet langer
alleen de kleine, plaatselijk visserij betreft, maar globale
betekenis heeft. Vergelijking van de verschillende aalsoorten op
de wereld toont, dat de visserij op de Europese aal de grootste
van de wereld is. De kweek van aal betreft bovenal de Japanse
aal. De Amerikaanse en Australische/Nieuw-Zeelandse visserij en
kweek hebben een veel kleinere omvang. Omdat de Europese aal ook
het grootste verspreidingsgebied heeft, is het waarschijnlijk
dat het Europese bestand het grootste wild bestand van de wereld
is. In dit artikel zal het woord aal meestal betrekking
hebben op de Europese aal. Waar verwarring mogelijk is, zal ik
duidelijk Europese aal gebruiken, maar in dat geval wordt
niet bedoeld de discussie tot Europa te beperken; de bestanden
in Noord Afrika zijn daar te belangrijk voor. In mijn ogen is de
benaming Europese aal een misleidende aanduiding, net
zoals rivier -aal of zoetwater -aal.
Achtereenvolgens zal ik de glasaal -visserij, de glasaal
-uitzet, de rode en schieraalvisserij en de aquacultuur
bespreken. Ik richt me daarbij vooral op de toestand van het
bestand en de visserij in geheel Europa en noordelijk Afrika. De
Nederlandse visserij en aquacultuur maken daar integraal deel
van uit en nemen geen uitzonderlijke positie in. De Nederlandse
visserij vist op het Nederlandse aalbestand, maar maakt gebruik
van buitenlandse glasaal voor uitzet; de Nederlandse aquacultuur
kweekt buitenlandse glasaal en is daarmee feitelijk consument
van de buitenlandse (Franse en Engelse) glasaalvisserij.
Wellicht ten overvloede wil ik met grote nadruk erop wijzen, dat
de kunstmatige voortplanting van aal niet succesvol uitgevoerd
kan worden en de aquacultuur daarom gewoon het natuurlijke
aalbestand exploiteert, precies zoals de visserij, de
hengelsport, de aalscholver en de uitgezette otter.
Biologie
De aal is een
zeer uitzonderlijke vis. De voortplanting vindt ver van Europa,
op de oceaan plaats, op een nog steeds onbekende locatie. De
Leptocephalus-larven in de oceaan lijken in het geheel niet op
alen, maar hebben de vorm van een wilgenblaadje . Nabij het
Europese continent vormt deze zich om in een jonge, doorzichtige
aal: de glasaal, met een lengte van 7 cm. Deze verspreidt zich
over Europa, waar ze in kust - en binnenwateren opgroeien.
Waarom deze geel/bruine dieren als rode aal worden aangeduid is
mij niet duidelijk. In het engels staan ze bekend als yellow eel.
Eenmaal in de kust - en binnenwateren aangekomen, eten de
aaltjes allerlei levende prooien, zoals wormen, watervlooien,
kreeftjes, insecten etc. Vanaf een lengte van 25 cm wordt tevens
vis gegeten. Dat ook kadavers gegeten zouden worden, is slechts
een fabel. Aal groeit bijzonder langzaam: bij ons marktwaardige
aal van ca. 30 cm is 8 à 10 jaar oud. De langzame groei hangt
samen met de lage temperaturen in onze buitenwateren. In
zuidelijke streken en in kwekerijen kan een groei van 20 cm per
jaar of meer worden bereikt, maar in uitzonderlijke gevallen kan
zo’n snelle groei ook in koude buitenwateren wel eens optreden.
Na de extreem koude winter van 1963, bijvoorbeeld, is dat in een
aantal polders waargenomen. Bij een lengte van 35 tot 45 cm
(mannetjes) resp. boven de 45 cm (vrouwtjes) verandert de aal
van uiterlijk (aangeduid als schieraal, vanwege de witte= chiere
buik) en trekt terug naar zee, om daar aan de voortplanting te
gaan deelnemen. Bij deze trek wordt zonodig een korte tocht over
land niet gemeden. Fysiologisch gezien is de schieraal nog ver
verwijderd van een werkelijk geslachtsrijp stadium. Een
werkelijk geslachtsrijpe aal ziet er bepaald anders uit: een
zeer dikke buik, heel grote ogen en vrijwel zwarte vinnen en
neus. Schieraal wordt in sommige delen van Nederland ook wel
paling genoemd, maar meestal zijn de woorden aal en paling
synoniem.
Glasaal -visserij
Na de
metamorfose aan het eind van het Leptocephalus -larve -stadium,
trekt de jonge glasaal naar de estuaria van de rivieren langs de
Atlantische kusten, in de winter (zuid -westelijke streken) en
het voorjaar (oostelijke Middellandse Zee, westelijke en
noordwestelijke gebieden). In Engeland (rond Bristol),
Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië en Marokko wordt de glasaal
commercieel bevist. Verder naar het noorden wordt de vangst van
glasaal alleen gebruikt voor de uitzet in nabijgelegen
buitenwater. De glasaal -visserij vindt plaats in estuaria, in
rivier -mondingen of voor dammen en barrières. In al deze
gevallen is er sprake van een (meestal natuurlijke) concentratie
van de glasaal, in tijd en ruimte. De migratie vanuit zee naar
binnen maakt gebruik van een mechanisme, bekend als het
selectief getijden transport. Hierbij maakt de glasaal
gebruik van de natuurlijke waterbeweging naar binnen tijdens de
vloed, terwijl ze zich tijdens de eb schuil houden in of vlakbij
de bodem. Dit transport -mechanisme vraagt weinig energie van de
glasaal en wordt daardoor nauwelijks gehinderd door lage
watertemperaturen. Om verder de rivier op te komen, moet de
glasaal actief gaan zwemmen. Actief zwemmen vraagt een minimale
temperatuur van 10-12ºC. In de winter, als het rivierwater nog
koud is, kan de glasaal makkelijk het estuarium inkomen met het
getij, maar moeilijk doorzwemmen de rivier op. Dientengevolge
ontstaat er dan een grote concentratie glasaal in het estuarium.
Deze concentratie is meestal te vinden aan de bovenstroomse kant
van een estuarium, waar de vloedstroom tot stilstand komt tegen
de uitstromende rivier in. Of, in de meeste Nederlandse
gevallen, op de plaats waar de vloedstroom door een sluis of dam
wordt tegengehouden, zoals voor de sluisdeuren van Den Oever.
Glasaal -visserijen gebruiken zowel in de hand vastgehouden
schepnetten als vanaf een schip bediende netten. Het net wordt
stilgehouden in een binnenkomende waterstroom, of wordt actief
door het water bewogen. Velerlei verschillende netten zijn in
gebruik, zowel met de hand als vanaf een schip: sleepnetten,
ankerkuilen, fuiken, schepnetten, etc. De commerciële glasaal
-visserijen vinden plaats in het zuidwesten van Europa,
noordelijk tot in Engeland (Bristol Channel) en langs de
Mediterrane kusten van Spanje en Italië. Langs de meer
noordelijke Atlantische kusten wordt glasaal alleen gevangen
voor uitzet in binnenwateren; hierbij wordt meestal gebruik
gemaakt van vast opgestelde vallen, waarbij een uitstromende
lokstroom de glasaal aantrekt. De glasaal -visserij in België
(de IJzer) en in Nederland (Afsluitdijk) maken gebruik van
respectievelijk een hand -schepnet en een kruisnet. De grootste
glasaal -visserijen worden gevonden in de grotere rivieren (Loire,
Seine en Gironde in Frankrijk; Nalon en Minho in Spanje; Severn
in Engeland; etc.), maar daarnaast worden ook de meeste kleinere
riviertjes meestal wel bevist. Officiële gegevens over de
kleinere visserijen worden soms wel en soms niet gevoegd bij de
informatie van de grotere; soms wordt de glasaal van de kleine
naar de grote rivier gebracht en daar verhandeld, soms kunnen de
vissers kiezen waar ze vissen, soms worden alleen de aanvoer
-statistieken achteraf bij elkaar opgeteld. Maar in de meeste
gevallen weten we gewoon niet echt wat er gebeurt.De totale
vangst van de glasaal -visserij in de jaren 1990 wordt geschat
op 583 ton, maar dit getal vormt zeker een onderschatting van de
werkelijk gevangen hoeveelheid. Vangsten worden dikwijls in
kleine vissersplaatsen al verwerkt, zijn illegaal of worden niet
gedocumenteerd. In Baskenland, in Noord Spanje, werd rond 1960
een vangst van 275 ton glasaal gemeld, maar tegenwoordig hebben
we geen enkele opgave meer beschikbaar. In de jaren 1980 is al
eens eerder geprobeerd de totale vangst te berekenen (857 ton),
op basis van schattingen door deskundigen. Het is wel zeker dat
toen een groot deel van de vangst gemist is, waaronder geheel
Spanje. De lagere vangst -cijfers in de jaren 1990 komen in
ieder geval overeen met de daling in onafhankelijke, betrouwbare
cijfers over de hoeveelheid glasaal . De internationale
statistieken van de aal -vangsten maken geen onderscheid tussen
glasaal enerzijds en rode en schier -aal anderzijds. Omdat rode
en schieraal zoveel zwaarder zijn dan glasaal, zeggen deze
cijfers dus eigenlijk niets over de glasaal vangsten en het
gebruik van die vangst. Op basis van de beperkte beschikbare
statistieken en met aanvullingen uit gesprekken met vissers en
handelaren ter plaatse, kan het volgende beeld voor het eind van
de jaren 1990 worden opgebouwd. Het grootste deel van de glasaal
wordt gebruikt voor aalkweek in Azië; ca. 20 % van de glasaal
wordt als glasaal geconsumeerd, merendeels in Spanje; ca. 20 %
wordt gevangen en elders (binnen en buiten het land van vangst)
uitgezet in buitenwateren en ca. 15 % van de glasaal kan
vrijelijk de rivieren opzwemmen. In vele landen in west Europa
vindt een wetenschappelijke monitoring van de glasaal -intrek
plaats. Dit betreft statistieken van commerciële vangsten,
import –export -statistieken, wetenschappelijke bemonsteringen,
vangststations voor poot aal, etc. Het gaat hierbij zowel om
gegevens van de glasaal -visserij, als visserij onafhankelijke
gegevens. In deze gegevens is een opmerkelijke,
gemeenschappelijke ontwikkeling zichtbaar: een daling sinds
1980, tot op een niveau van ca. 10 % ten opzichte van de periode
daarvoor. Deze daling treed op in commerciële en
niet-commerciële gegevens, in noord - en zuid -Europa, etc.
Slechts de poot aal in Scandinavië en de glasaal van de Britse
Eilanden laten een ietwat afwijkend beeld zien, met een eerdere
resp. mindere daling. Sommigen van de glasaal -reeksen lopen al
langer dan 60 jaar (Frankrijk, Nederland, Duitsland en Zweden).
Met name de kruisnet -bemonstering in Den Oever vormt een van de
allerlangste en de meest betrouwbare series. Vanaf ca. 1950
kunnen duidelijke trends worden vastgesteld . Direct na de
Tweede Wereldoorlog was er een arme periode van een aantal
jaren, gevolgd door een zeer rijke periode in de jaren 1950,
1960 en 1970. Maar vanaf 1980 trad een gedurige daling op, die
tenminste tot 1990 doorzette. Gedurende de jaren 1990 was er
sprake van een redelijk stabiel, maar laag niveau. In 2001 trad
echter een zeer scherpe verdere daling op, tot op nog maar 1 %
van het oorspronkelijke niveau. In 2002 is in Den Oever de
situatie niet verder verslechterd, maar van werkelijk herstel is
helaas ook geen sprake).
De glasaal -intrek van
2002
Evenals in de
voorafgaande 64 jaar, heeft in 2002 in Den Oever weer een
bemonstering van de intrekkende glasaal plaatsgevonden. Deze
bemonstering is kortgeleden afgesloten, zodat nu bekend is hoe
de intrek in Den Oever afgelopen voorjaar verlopen is. In de
eerste helft van het seizoen leek er sprake van aanzienlijk meer
glasaal dan afgelopen jaar. Maar die pret was maar van korte
duur: vanaf half april lagen de aantallen juist lager dan vorig
jaar en tot het einde van het seizoen is er geen verbetering
meer gekomen. Het lijkt waarschijnlijk dat de weersverandering
half april heeft bijgedragen aan de omslag, maar al met al
moeten we constateren dat de vangsten gemiddeld maar een klein
beetje boven die van 2001 zijn uitgestegen en daarmee een
voortzetting vormen van het historische dieptepunt van afgelopen
jaar. In getal: van 1.65 stuks in 2000, naar 0.54 in 2001 en nu
1.09 glasalen per trek, dat is 4.8 %, respectievelijk 1.6 % en
nu 3.2 % van het gemiddelde van de jaren 1960-1980 (dat was ruim
40 glasalen per trek). Uit het buitenland zijn nog geen
definitieve gegevens voorhanden. Uit diverse kontakten komt het
beeld naar voren, dat ook daar 2002 een bar slecht seizoen is
geweest, dat maar heel weinig uitkwam boven het historisch
minimum van 2001.
Glasaal uitzet
Natuurlijke aal
-populaties concentreren zich meestal in estuaria en de
benedenloop van rivieren. Bovenstrooms zijn alen aangetroffen
tot op meer dan 1000 km van de monding, maar de gemiddelde
verplaatsing rivier opwaarts is meestal niet sneller dan ca. 20
km per jaar. Een door de mens uitgevoerd transport van glasaal
en poot aal van beneden naar boven in de rivier heeft dikwijls
een aantoonbaar positief effect op de visserijopbrengst, net als
transporten van het centrum van de verspreiding (Frankrijk en
Spanje) naar de randen (Nederland, Duitsland, Scandinavië,
Midden -Europa). Kennelijk is de dichtheid van de natuurlijke
stand in grote delen van het verspreidingsgebied ver beneden de
capaciteit van het ecosysteem, terwijl het bestand in Frankrijk
en Spanje wel een glasaaltje of twee kan missen. In 1908 is in
Epney, op de oever van de Severn in Engeland, door de Duitsers
een glasaal -station opgezet, waarvandaan levende glasaal naar
Hamburg getransporteerd werd. In de periode voor de Tweede
Wereldoorlog betrof dit ca 1.3 ton per jaar. Na de Oorlog nam
het transport van glasaal vanuit Zuid -Europa naar Centraal en
Noord -Europa een grote vlucht. Uitzet van Franse en Engelse
glasaal werd een van de standaard beheersmaatregelen in Noord en
Oost -Europa. Vanaf 1980 werd de glasaal echter zo schrikbarend
duur, dat uitzet niet langer betaalbaar was. De meest recente
schatting voor geheel Europa (begin jaren 1990) noemt nog 33
ton, maar sindsdien is de hoeveelheid nog aanmerkelijk gedaald.
De uitzet van glasaal in afgesloten wateren heeft een
aantoonbaar positief effect op de opbrengst een paar jaar later.
Dit is ondermeer gebleken in vijverproeven, maar ook in
evaluatie van grootschalige uitzetprogramma’s in Polen. De
omvangrijke uitzet in geheel Europa is de meest waarschijnlijke
verklaring voor de toename van de vangsten in de jaren 1960, met
name in de noordelijke helft van Europa. Of uitgezette glasaal
wel leidt tot de productie van volwaardige schieralen is echter
nog maar de vraag. Merk -proeven in de Oostzee van schieraal
afkomstig van Franse glasaal toonden, dat deze schieraal de
uitweg uit de Oostzee veel slechter kon vinden dan de natuurlijk
ingetrokken glasaal. Het is daarom waarschijnlijk veiliger aan
te nemen dat uitgezette glasaal niet bijdraagt aan het behoud
van de paaistand.
Rode en schieraal
-visserij
De visserij op
rode en schieraal komt voor in het gehele verspreidingsgebied
van de aal. In midden en Noord -Europa vormt dit de
belangrijkste visserij. In termen van gewicht is de glasaal
-visserij in zuidelijke landen weliswaar verwaarloosbaar, maar
in termen van aantallen overtreffen ze de rode aal -visserij
ruimschoots (ca. 30 maal). Schieraal -visserijen zijn al bekend
uit de steentijd, toen met vast opgestelde visweren gevist werd.
Exclusief op schieraal gerichte visserijen komen nu eigenlijk
alleen nog maar in Scandinavië voor, waar in de kustwateren met
zeer grote fuiken gevist wordt. Waarschijnlijk is de focus op de
schieraal een manier om de lage aalstand in Noord -Europa (25
alen per km2 landoppervlak) nog te kunnen exploiteren. Gedurende
de schieraaltrek concentreert de in de binnenwateren
geproduceerde aal zich in tijd (najaar) en ruimte
(riviermondingen), waardoor een profijtelijke visserij in zeer
dunbevolkte gebieden mogelijk wordt. In midden Europa, bij een
gemiddelde dichtheid van de aalstand (400 stuks per km2
landoppervlak) richt de visserij zich grotendeels op de rode
aal, met een bijvangst van schieraal. Ter vergelijking: in
typische glasaal -gebieden bedraagt de dichtheid van het bestand
ca. 1500 glasalen per km2 landoppervlak. De visserij op rode en
schieraal maakt gebruik van een heel scala aan vistuigen, zoals
netten en fuiken, speren, potten en tuben, haken etc. en wordt
uitgeoefend in kustgebieden, in lagunes, in rivieren, meren,
beken en alle mogelijke kleinere wateren. Gegevens over de
omvang van de totale aalvisserij zijn berucht om het feit dat ze
zo incompleet zijn. Vergelijking van de officiële cijfers met de
best beschikbare schattingen heeft aangetoond dat de officiële
cijfers voor vele landen maar ongeveer de helft van de
werkelijke vangsten omvatten. Dat is ook (zeker) voor Nederland
het geval. De meest recentelijk door Nederland gerapporteerde
cijfers maken zelfs geen onderscheid meer tussen aalvisserij en
aalkweek en zijn daarmee helaas volstrekt onbruikbaar geworden.
Op basis van de beschikbare (officiële en onofficiële) cijfers
kan wel de relatieve ontwikkeling in de vangsten gereconstrueerd
worden . Hieruit blijkt dat in de periode voor de Tweede
Wereldoorlog de vangsten varieerden rond een gemiddelde van ca.
47 500 ton. Na een duidelijk dal gedurende de Oorlog, stegen de
aanlandingen geleidelijk tot 47 000 ton in 1964, waarna een zeer
langzame maar gestage daling inzette, tot op een historisch
dieptepunt van 22 000 ton in de afgelopen jaren (NB. Deze
cijfers betreffen uitsluitend gerapporteerde vangsten). De
stijging van de vangsten tussen 1945 en 1964 valt samen met de
verwachte opbrengstverhoging ten gevolge van de uitzet van
glasaal sinds de Tweede Wereldoorlog. Bovendien vond deze
stijging met name plaats in Noordelijke landen, waar de uitzet
het meest omvangrijk plaatsvond. Dit maakt het waarschijnlijk
dat de hoge vangsten het gevolg zijn van de uitzet van glasaal,
d.w.z. zonder deze uitzet was er misschien al veel langer een
gestage daling te zien geweest. Tegelijkertijd is het ook
duidelijk, dat de uitzet van glasaal steeds is toegenomen,
tenminste tot 1980. De achteruitgang in de vangsten sinds 1965
vond dus plaats, ondanks dat er meer en meer glasaal werd
uitgezet, terwijl de natuurlijke intrek ook maximaal was. De
dalende vangsten in de jaren 1960, 1970 en 1980 zijn dus niet te
wijten aan een tekort aan glasaal, maar moeten samenhangen met
een verandering in onze binnenwateren.
Kweek van de Europese aal
De kweek van
Europese aal is pas veel later van de grond gekomen dan de kweek
van de Japanse aal . In 1970 bedroeg de Europese kweek ca. 3 400
ton, terwijl in Japan al 17 000 ton werd gekweekt. Rond 1970
hebben de Japanners een aantal jaren geprobeerd Europese aal te
kweken, maar dat had toen weinig resultaat. In het midden van de
jaren 1980 hebben ze het nogmaals geprobeerd, resulterend in een
groei van 3 000 ton (1985) naar 10 000 ton nu. De kweek in
Europa wordt momenteel geschat op ca. 10 000 ton. De Italiaanse
aquacultuur heeft een lange geschiedenis, tenminste teruggaand
tot de Romeinen. In de afgelopen eeuwen heeft de kweek zich
geconcentreerd in de valli in Noord-Italië. In deze
systemen worden natuurlijk ingetrokken glasalen opgekweektin
natuurlijke lagunes, waarin de mens echter ingrijpt in de
waterloop (zoet/brak /zout,koud/warm, zuustofrijk/-arm, etc.) en
daardoor de productie tot ongekende hoogte kan opschroeven.
Sinds de achteruitgang van de glasaal (1980) is echter ook in
toenemende mate gebruik gemaakt van uitgezette glasaal,
afkomstig van de Italiaanse west-kust. Daarnaast zijn er in
Italië een aantal moderne aalkwekerijen ontstaan, vergelijkbaar
met onze moderne bedrijven.
De moderne, intensieve kweek van
aal is geheel gebaseerd op hoog-technologische en vergaand
geautomatiseerde bedrijfsvoering, waarin meestal gebruik gemaakt
wordt van water-recirculatie. Aan het eind van de jaren 1980
zijn deze systemen in gebruik genomen in een hele reeks van
landen in geheel Europa. Gedurende de jaren 1990 is de kweek in
Denemarken en Nederland gestaag doorgegroeid, terwijl elders
alweer sprake was van een afname. Denemarken en Nederland
domineren nu de markt, terwijl de kweek in Italië omvangrijk is,
maar licht afneemt.
De kweekaal wordt merendeels
afgezet binnen Europa. Uitzet van kweekaal in buitenwateren is
tegenwoordig zeldzaam en draagt waarschijnlijk niet bij aan de
voortplanting.
Samenvatting
De aalvisserij
komt in vrijwel geheel Europa en noordelijk Afrika verspreid
voor. De visserij op glasaal concentreert zich in landen rond de
Golf van Biskaje, terwijl de schieraalvisserij met name in
Scandinavië belangrijk is, met een visserij op rode aal
daartussen in. De kweek van aal maakt gebruik van in het wild
gevangen glasaal. De vangst van rode aal en schieraal neemt
sinds midden jaren 1960 gestaag af, tot een historisch
dieptepunt in de meest recente jaren. In de tweede helft van de
afgelopen eeuw hebben omvangrijke transporten van glasaal
plaatsgevonden, van zuid - naar noord -Europa, voor uitzet in
binnenwateren. Sinds 1980 is de natuurlijke intrek van glasaal
snel gedaald. Tegelijk is de vraag naar glasaal voor kweek in
Europa en Azië sterk gestegen.
De toekomst van de Europese aalstand
en –visserij.
De achteruitgang
van de aal krijgt recentelijk meer en meer aandacht, in ons land
maar ook internationaal. Sinds 1998 dringt het wetenschappelijk
advies erop aan een internationaal herstelplan op te stellen.
Omdat daar nog weinig schot in zit, heeft op 15 april 2002 onze
Staatssecretaris aan de Tweede Kamer geschreven niet te willen
wachten, maar nationaal alvast een begin te willen maken met een
eigen herstelplan.
Achtergrond
De aal (=paling,
Anguilla anguilla (L.)) plant zich voort in de
Atlantische Oceaan, op een ons onbekende plaats, vermoedelijk
ergens in de Sargassozee. De jonge aal (glasaal) trekt in het
voorjaar vanuit zee de rivieren binnen, om daar in 2-20
(mannetjes) resp. 5-50 (vrouwtjes) jaar op te groeien (dan
aangeduid als rode aal) tot een bijna paai rijpe schieraal, die
vervolgens (in het najaar) terugkeert naar zee. De aal komt voor
in geheel Europa, in noordelijk Afrika en een klein deel van
Azië. In het noorden vist men op rode aal en schieraal, in het
zuiden ook op glasaal. Sinds 1980 is de hoeveelheid glasaal, die
vanuit zee binnenkomt, drastisch gedaald , tot nu nog maar ca.
10 % van het niveau van de jaren 1960 en 1970. De laatste twee
jaar is de intrek zelfs nog maar ca. 2 %! Aan deze daling lijkt
dan ook nog geen eind gekomen. In de Britse Eilanden lijkt de
daling wat minder sterk te zijn, en in Scandinavië is het
misschien wat eerder begonnen. Vanaf 1965 is ook de opbrengst
van de visserij gestaag gedaald, van ca. 50,000 naar rond de
20,000 ton. Deze daling heeft zich in heel Europa voorgedaan,
maar is in Noord Europa wellicht deels gecompenseerd (en
gemaskeerd) door omvangrijke uitzettingen van glasaal uit Zuid
Europa. Deze uitzettingen zijn momenteel tot een minimale omvang
gereduceerd. Sinds 1980 is er een omvangrijke kwekerij van aal
op gang gekomen, waarbij in het wild gevangen glasaal in korte
tijd (1-2 jaar) opgekweekt wordt. De omvang van deze aquacultuur
evenaart de visserij. Ongeveer de helft hiervan vindt plaats in
Oost Azië (Japan, China). In de laatste jaren begint de Europese
kweek weer wat af te nemen. De Nederlandse kweek produceert ca.
4 maal zoveel als de Nederlandse visserij.
Oorzaken
De stand van de
Europese aal gaat duidelijk achteruit. De intrek van glasaal is
afgenomen sinds 1980, tot op 10 %, en recentelijk zelfs nog maar
2 % van het oorspronkelijke niveau. De vangst van rode en
schieraal daalt al enkele decennia. Als oorzaak van deze
achteruitgang zijn een aantal mogelijke verklaringen genoemd,
waarvan de belangrijkste zijn: vervuiling, verlies van
opgroeigebied als gevolg van dammen en stuwen, toegenomen
predatie door aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan,
overbevissing en door de mens geïntroduceerde ziektes en
parasieten. Hieronder zal ingegaan worden op de ontwikkeling in
de verschillende factoren, en de mogelijke overeenkomst of
afwijking ten opzichte van de achteruitgang van de aal.
Klimaat
De glasaal die
in het voorjaar in onze rivieren naar binnen trekt, heeft al een
flinke wereldreis achter de rug: naar ons beste weten zijn ze
afkomstig uit de Sargassozee (een zeegebied groter dan Europa),
op een afstand van 3000-7000 km. Daarvandaan brengt de Warme
Golfstroom ze naar Europa; dit neemt waarschijnlijk meer dan een
jaar in beslag. Een kleine verandering in de Golfstroom zou
wellicht een geweldige invloed kunnen hebben op het aantal
dieren dat deze lange tocht overleeft. Nu is het probleem dat de
Oceaan zo groot is, dat we er eigenlijk maar heel weinig van af
weten. Gedetailleerde metingen van stromingen, temperaturen,
voedselbeschikbaarheid, etc. zijn simpelweg niet voldoende
aanwezig. Wel is er een index van de luchtdrukverdeling boven de
Oceaan , waarvan men aanneemt dat die indicatief is voor de
sterkte van de Golfstroom. In deze index wordt de luchtdruk
boven de Azoren vergeleken met die boven IJsland. In de jaren
1980 nam de luchtdruk bij IJsland relatief af, min of meer
gelijk opgaand met de afname van de glasaal. Begin jaren 1990
werd voor beiden een minimum bereikt, waarna midden jaren 1990
een licht herstel intrad. Daarna is de hoeveelheid glasaal
echter dramatisch gedaald, terwijl de luchtdrukverdeling juist
op normale waarden uitkwam. Er is nog een tweede aanwijzing voor
een effect van het Oceaan -klimaat: de glasaal die bij ons
binnentrekt, brengt in zijn lichaam als het ware een verslag van
zijn reis op de oceaan met zich mee. Juist in de jaren dat er
het minste glasaal binnentrok (1991), bleek de gemiddelde lengte
(gemeten in Den Oever) ook aanzienlijk kleiner geworden dan in
de voorafgaande decennia. Het lijkt aannemelijk te
veronderstellen dat de glasaal klein bleef, omdat ze onvoldoende
voedsel vonden in de Oceaan. En dat zou dan goed overeenkomen
met een verandering in de stroming en de klimaatindex. Midden
jaren 1990 is de luchtdrukverdeling weer naar gemiddelde waarden
teruggekeerd en namen tegelijkertijd ook het aantal en de lengte
van de glasaal normalere waarden aan. Maar rond 2000 is dat
verband niet meer aanwezig: de lijn van het klimaat en van de
glasaallengte gaan samen omhoog, maar het aantal glasalen daalt
naar een absoluut dieptepunt. De relatie tussen glasaallengte en
klimaat lijkt wel te blijven bestaan, maar het opgetreden
herstel van het klimaat levert nu niet meer glasaal op.
Polders en
dammen
Half Nederland
ligt beneden de waterspiegel. Grote delen van de laaggelegen
gebieden hebben oorspronkelijk deel uitgemaakt van het
woongebied van de aal. Afdammen, inpolderen, droogmalen hebben
dus allemaal invloed gehad op de aalstand en zullen de
opgroeimogelijkheden verkleind hebben. De vraag rijst dan, of de
afname van de aalstand soms het gevolg is van onze
waterbouwkundige werken. Voor het IJsselmeer zijn er vrij
nauwkeurige gegevens bekend. Was de Zuiderzee nog ca. 3600 km2
groot, het IJsselmeer is geleidelijk verkleind tot ca. 1850 km2.
Hoewel deze cijfers een onjuiste indruk geven dat het effect van
inpolderingen exact kan worden ingeschat, wordt toch wel
duidelijk dat de achteruitgang van de aalvangst (van 4000 naar
400 ton in 50 jaar) wezenlijk groter is geweest dan verklaard
kan worden uit de halvering van het oppervlak. Onduidelijk is,
hoe groot de invloed van de Afsluitdijk, en later de Houtribdijk,
op het achterliggende water is, en welke rol het bovengelegen
stroomgebied van de IJssel (en kleinere rivieren) kan hebben
gespeeld.
Aalscholvers
Aalscholvers
hebben de naam bovenal aal te eten. Voor het IJsselmeer is dat
niet het geval. Analyse van hun dieet toont aan dat minder dan 1
% van hun voedsel uit aal bestaat; dat is maar ca. 18 ton per
jaar. Dat kan daarom nauwelijks de oorzaak zijn van de grote
achteruitgang van de aal. Waarschijnlijk eten aalscholvers
buiten het IJsselmeer meer aal. Vergelijking van de toename van
het aantal aalscholvers met de daling in de aal maakt echter
duidelijk, dat de aalscholvers pas echt op het toneel
verschenen, toen het grootste deel van de aal al was verdwenen.
Visserij
Is de visserij
oorzaak van de achteruitgang van de aal? Dat is een moeilijk
probleem. Hierboven is een hoge aalvangst in 1950 gelezen als
een teken dat er veel aal aanwezig was. Tegelijkertijd zal een
hoge vangst juist ook een oorzaak kunnen zijn van een sterke
achteruitgang in het bestand. Wel is duidelijk, dat de
achteruitgang van de vangsten gepaard is gegaan met een afname
van het aantal bedrijven op het IJsselmeer, maar dat de
visserij inspanning daarmee geenszins gelijke tred heeft
gehouden. In de periode 1970-1985,
Parasieten
In 1985 werd een
Australische zwemblaasparasiet in Nederland ingevoerd in een
transport van levende aal. Nog hetzelfde jaar was nagenoeg alle
aal geïnfecteerd en werden ook dode of beschadigde alen
aangetroffen. Nederland was een van de eerst geïnfecteerde
landen. In de daarop volgende jaren is de infectie bij ons weer
wat afgezakt en was er ook geen schade meer zichtbaar. Geen
directe schade althans, want niemand weet of een schieraal met
een verziekte zwemblaas de lange weg terug door de Oceaan wel
kan volbrengen. Wel is duidelijk dat de daling van de
glasaalintrek al begonnen was voor de parasiet goed en wel door
heel Europa verspreid was.
Vervuiling
Ook voor de
vervuiling geldt, net als voor de zwemblaasparasieten, dat het
mogelijke effect waarschijnlijk optreedt in een levensstadium
dat we niet direct kennen: tijdens de schieraaltrek in de Oceaan
en bij de rijping van de geslachtsorganen. Een bijkomend
probleem is dat metingen van cruciale componenten van de
vervuiling pas op gang zijn gekomen (1978), toen de ergste
vervuiling eigenlijk al over zijn hoogtepunt (1970) heen was.
Het lijkt waarschijnlijk dat de vervuiling geleidelijk is
opgebouwd in de periode 1950-1970. Dat is exact de periode
waarin de glasaal talrijk aanwezig was, maar de vangst van rode
aal wel afnam. Het is wel heel raar, dat het voor vervuiling
gevoelige levensstadium (de voortplanting) succesvol bleef,
terwijl de aantallen in het minder gevoelige stadium (groei)
juist achteruitgingen.
En wat is de
oorzaak nu?
Wat de oorzaak
uiteindelijk was, komen we misschien wel nooit te weten. Voor
elk van de geopperde hypotheses is wel wat te zeggen, maar geen
enkele simpele verklaring past precies. Omgekeerd kunnen we ook
geen van de hypotheses echt uitsluiten. Elk van de genoemde
factoren zal zeker een rol gespeeld hebben. Het is daarom het
meest waarschijnlijk dat de samenloop van omstandigheden geleid
heeft tot de achteruitgang in de aalstand. Inpoldering, visserij
en vervuiling hebben allemaal geleidelijk hun tol. Toen daar
vervolgens ook nog eens aalscholvers, parasieten en een
tijdelijk ongunstig klimaat bijkwamen, was de strijd definitief
beslecht. Nauwkeuriger beschouwing van de trends in glasaal en
rode aal geeft nog een belangrijke aanwijzing:
Consequenties
Voorzorgsbeginsel
De stand van de
aal gaat achteruit. In het wetenschappelijke advies van de
Internationale Raad voor het Zeeonderzoek (ICES) is dan ook
vastgesteld dat de stand zich niet meer binnen veilige
biologische grenzen bevindt, en dat de visserij in de huidige
omstandigheden niet duurzaam zal kunnen worden uitgevoerd. Op
verschillende vlakken (visserij, habitat verlies, vervuiling en
introductie van parasieten) heeft de mens een negatieve invloed
gehad op de stand. Alle informatie wijst erop dat we voorlopig
op een dieptepunt zijn aangekomen. Daarom luidt het
wetenschappelijk advies, zo spoedig mogelijk een herstelplan
voor de aal op te stellen. Dat zal een complex proces worden:
heel Europa moet daarbij betrokken worden, het gaat om zeer
kleinschalige visserijen, met grote regionale verschillen en
belangentegenstellingen en bovenal grote wetenschappelijke
onzekerheden. Hoewel dit niet de plaats is om uitgebreid op de
details van zo'n plan in te gaan, kan nadere beschouwing van een
aantal uitgangspunten de discussie wellicht verhelderen. In de
afgelopen jaren is internationaal hard gewerkt aan een
samenhangend stelsel van politieke doelstellingen en
richtlijnen, die bekend zijn geworden onder de naam:
Voorzorgsbeginsel. Deze benadering is enerzijds gebaseerd op het
Verdrag over het Zeerecht (1983), anderzijds op de Milieu
Conferentie in Rio de Janeiro in 1993. Kern van de zaak is dat
er verantwoord dient te worden omgesprongen met natuurlijke
hulpbronnen, dat exploitatie slechts toelaatbaar is als
duidelijk is dat er geen (blijvende) schade wordt toegebracht.
Deze politieke uitgangspunten zijn vervolgens in technische zin
uitgewerkt tot praktische regels, die nu standaard door de ICES
worden toegepast. Aangenomen wordt, dat er in het algemeen (voor
alle vissoorten) een verband bestaat tussen de grootte van de
paaistand en de hoeveelheid nakroost. Meestal is de situatie,
dat er een minimale paaistand nodig is om voldoende nageslacht
te kunnen produceren. Een grotere paaistand resulteert niet in
nog veel meer jongen, maar een kleinere paaistand leidt wel tot
een aanzienlijke daling. Het heikele punt is dan, vast te
stellen bij welke paaistand dit minimum ligt, bij welke
paaistand een vermindering gevolgen gaat krijgen voor het
nageslacht. Als dat minimum bekend is (of een voorlopige
schatting ervan politiek overeengekomen is), kunnen vervolgens
beheersmaatregelen gekozen worden, die ervoor zorgen dat de
paaistand boven dat minimum blijft. Het Voorzorgsbeginsel stelt
nu, dat ook voor de aal een dergelijk verband tussen paaistand
en nakroost moet worden aangenomen, tenzij het tegendeel bewezen
is. Daaruit volgt, dat een herstelplan er in ieder geval ook op
gericht moet zijn, een voldoende grote paaistand te behouden.
De zorg om de
paaistand.
Maar de aal zou
de aal niet zijn, als alles hiermee opgelost kon worden.
Paaistand en nakroost moeten alle twee gezocht worden op een
onbekende plaats in de Oceaan. Daar schieten we dus niet erg
veel mee op. Voor beiden kan er wel een benadering gevonden
worden. Het geproduceerde nageslacht komt tenslotte als glasaal
aan onze kust. In heel Europa is een zelfde daling in de
glasaalintrek vastgesteld. Kennelijk zijn de waarnemingen
maatgevend voor een gemeenschappelijk proces ver weg op de
Oceaan, wellicht op de paaiplaats. De paaistand is veel
moeilijker vast te stellen. Van ontsnappende schieraal is erg
weinig bekend. Waarschijnlijk houdt de hoeveelheid ontsnappende
schieraal wel gelijke tred met de aalvangst in de binnenwateren.
Als er veel aal is kan de visserij veel vangen, maar zal er ook
veel schieraal ontsnappen. Hoewel niet ideaal, zal het verband
tussen paaistand en nakroost toch wel redelijk benaderd kunnen
worden door aalvangst en glasaalintrek. En dat verband
suggereert, dat er ook bij de aal wel degelijk sprake is van een
relatie: de geleidelijke afname van het (paai)-bestand in de
jaren 1920-1960 had weinig effect op de glasaal, maar toen
vervolgens in de periode 1960-1990 de afname steeds verder ging,
werd rond 1980 het minimum gepasseerd, en stortte de glasaal
plotseling in. In deze optiek was het effect van bijvoorbeeld de
klimaatsverandering op de oceaan de druppel die de emmer deed
overlopen, maar niet de oorzaak van de achteruitgang. De
instorting van de glasaal was onvermijdelijk, omdat de stand in
de continentale opgroeigebieden gestaag terugliep. De teruggang
in de glasaal is hier nu geschetst als het gevolg, en niet de
oorzaak van de afname van het aalbestand in continentale
wateren. Dit idee is betrekkelijk nieuw en nogal speculatief, en
behoeft daarom duidelijk nog verdere onderbouwing. Maar de vraag
is, of er al consequenties getrokken kunnen worden. Moet het
beheer van de aal zich richten op het herstel van de paaistand,
op het herstel van de schieraal? Moet het roer om, vanwege een
onbewezen stelling? Het Voorzorgsbeginsel maakt een
onverbiddelijke keuze: neem het zekere voor het onzekere, spaar
de paaistand. Zorg ervoor dat de visserij niet meer dan een
redelijk deel van het bestand vangt; zorg ervoor dat dammen en
sluizen geen onoverkomelijke barrière vormen voor de migratie.
Wat is redelijk? Waar moeten we naar streven? Gegevens voor de
aal ontbreken of geven slechts een indicatie, of een afgeleid
beeld. Daarom is het wetenschappelijk advies opnieuw gebaseerd
op het voorzorgsbeginsel. Voor vele andere vissoorten kan de
paaistand verkleind worden tot op ca. 30 % van de oorspronkelijk
onbeviste situatie, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor
de aanwas van jonge vis. Voor de aal ontbreekt de kennis om een
specifieke berekening te maken. Dezelfde norm van 30 % zou
verkozen kunnen worden, maar gezien de grote onzekerheden wordt
een hoger getal (van bijvoorbeeld 50 %) aanbevolen.
Remedies
De aalstand gaat
hard achteruit. Dit zou mede het gevolg kunnen zijn van
menselijk handelen, waardoor de paaistand momenteel te klein zou
zijn. Maatregelen gericht op het herstel van de paaistand zijn
aanbevolen; in de praktijk zal ernaar gestreefd moeten worden de
vrije uittrek van schieraal op tenminste 30 % van de natuurlijke
toestand te verzekeren. Voor de verschillende sectoren werkt dat
verschillend uit.
Glasaalvisserij en aquacultuur
De kweek van aal
maakt, net als de visserij, gebruik van het natuurlijke bestand.
De Nederlandse visserij vist op Nederlandse aal, maar de
Nederlandse kweek maakt gebruik van glasaal uit Zuid -Europese
wateren. Hoewel dat, naar beste weten, dezelfde aalpopulatie is,
zijn de beheersproblemen daar toch anders dan in onze wateren.
De hoeveelheid glasaal die in zuidelijke wateren binnentrekt, is
bijzonder groot. Voor de Vilaine (de grootste rivier van
Bretagne) is berekend, dat in de jaren 1970 meer dan 15 kg
glasaal per hectare wateroppervlak de rivier binnenkwam. Ter
vergelijking: in noordelijk Europa wordt meestal 0.1 kg/ha
uitgezet, of in uitzonderlijke gevallen maximaal 0.5 kg/ha. Die
15 kg in de Vilaine zal dus zeker niet allemaal hebben kunnen
overleven, maar kort na de intrek door voedsel - en ruimtegebrek
zijn overleden. Daarom kon de glasaalvisserij min of meer
ongestraft een deel van de intrek oogsten. Kon, want er komt
natuurlijk een moment dat er zo weinig glasaal binnenkomt, dat
alles wel een plaatsje in de rivier vinden kan (in 2001 trok nog
0.58 kg/ha binnen). Voorlopig wordt de natuurlijke productie van
schieraal in deze wateren veel meer bepaald door de
beschikbaarheid van binnenwater. Hoe groter de (bereikbare)
rivier, hoe meer glasaal zich kan vestigen. Beheer moet er
daarom op gericht zijn een deel van de glasaal te laten
ontsnappen aan de visserij (dat was tot voor kort in de Vilaine
niet zo), en de opgroeigebieden te herstellen en bereikbaar te
maken (dat was in de Vilaine ook niet het geval). Is dat een
verantwoordelijkheid van de zuidelijke landen, of ook van de
noordelijke aquacultuur?
Rode aal en
visserij
Van de
visserijen op rode aal in ons land, weten we het meest van het
IJsselmeer, omdat de Overheid hierin mede verantwoordelijk is
voor het beheer. Tegelijkertijd weten we ook dat het IJsselmeer
extreem overbevist is, hetgeen in andere binnenwateren veel
minder het geval lijkt te zijn. Nu blijkt het effect van de
IJsselmeervisserij heel goed in lijn te liggen met de weinige
analyses die in het buitenland van de rode aal -visserij zijn
gemaakt. Het inzicht verworven uit de IJsselmeervisserij is zo
gek nog niet, en zodra er meer gegevens van daarbuiten bekend
worden, kan een aanvulling plaatsvinden. In een figuur is het
verband geschetst tussen de visserijintensiteit (horizontaal, in
procenten van de huidige IJsselmeervisserij) en de opbrengst van
rode en schieraal (in gram per binnengetrokken glasaal). Voor de
schieraal is hierbij in het midden gelaten of deze gevangen
wordt of naar de paaiplaats doortrekt. Het zal niet verwonderen
dat de hoogste productie van schieraal bereikt wordt, als de
rode aalvisserij zo ver mogelijk beperkt wordt. Het pleidooi van
visserijbiologen om de visserij in plaats van op rode, vooral op
schieraal te richten behoort wel tot de klassiekers. Inmiddels
staat de bescherming van de paaistand voorop. Behoud van 30 %
van de schieraal vereist een beperking van de IJsselmeervisserij
tot 20 % van de huidige rode aalvisserij. Een ferme beperking
van de IJsselmeervisserij zal niet alleen de paaistand ten goede
komen, maar ook de visserij! En buiten het IJsselmeer? Een
maximale vangst wordt verkregen bij een visserij intensiteit van
30 - 50%, maar dat heeft wel een reductie van de schieraal tot
gevolg tot 2½ - 15 %. Dat is beneden de minimum norm van
Schieraal en
visserij
Nog niet zo heel
erg lang geleden gold ontsnappende schieraal als puur verlies.
Gepoogd werd het beheer van spuisluizen aan te passen, zodat
wegtrekkende schieraal voor de visserij behouden bleef. De
wettelijke minimummaat op de aal bedraagt in Nederland 28 cm.
Binnen Europa is dit een uitzonderlijk kleine lengte. De
redenering was echter, dat een hogere maat zou betekenen dat de
mannetjes schier zouden worden (vanaf ca. 32 cm lengte), en naar
zee zouden kunnen ontsnappen. Alles liever dan dat, dus vingen
we ze een jaar tevoren, vanaf 28 cm lengte. Maar de tijden
veranderen en behoud van voldoende paaistand is nu prioriteit
nummer één. Ogenschijnlijk staan schieraalvisserij en behoud van
de paaistand lijnrecht tegenover elkaar. Elke gevangen schieraal
is er eentje minder voor de paaistand. Daar staat tegenover, dat
de schieraalvisserij een hogere opbrengst geeft dan de rode aal
visserij, en visserijbeperkingen daarom beter op de rode aal
gericht kunnen zijn. Op het IJsselmeer zou de hele
schieraalvisserij gesloten kunnen worden, zonder dat de
schieraaltrek noemenswaard zou toenemen. Anderzijds kan een
efficiënte schieraalvisserij het effect van voorafgaande
beheersmaatregelen volledig ongedaan maken. Hoe efficiënt is de
schieraalvisserij? Uit het buitenland zijn een aantal
tegenstrijdige cijfers bekend. In de Oostzee is uit merkproeven
gebleken dat 50-70 % van de schieraal gevangen wordt. In Ierland
zijn in de rivier de Bann twee onder elkaar gelegen dichtzetten
aanwezig (netten die de gehele rivier afsluiten), waarvan de
onderste dikwijls hogere vangsten maakt als de bovenste. Dan
moet de bovenste kennelijk heel wat schieraal hebben
doorgelaten! Voor Nederland zijn nog geen cijfers bekend. In de
Maas lopen op dit moment proeven met zenders in de buik van
dikke schieralen, waaraan ook de visserij een bijdrage levert.
Herstel van
leefgebied
Volledig herstel
van de oude situatie, waarbij half Nederland onder de
waterspiegel lag, is misschien niet erg realistisch. Anderzijds
is er in Nederland vrijwel geen enkel water meer zondermeer
toegankelijk voor de aal, dus zonder enige maatregel ziet het er
in ons land bijzonder slecht uit voor de aal. Er zal een balans
gevonden moeten worden tussen wensen en mogelijkheden. In het
meest recente wetenschappelijke advies over de aal wordt
voorgesteld een stapsgewijze benadering te kiezen. Het beginpunt
is makkelijk te realiseren, maar wellicht niet genoeg; het
eindpunt is ideaal, maar niet erg realistisch. De eerste stap
behelst verbetering van het beheer in de thans bestaande
wateren; de tweede de installatie van vistrappen of aalgoten, of
desgewenst de uitzet van glasaal boven stuwen of gemalen; in de
derde stap wordt een zodanig herstel van leefgebied nagestreefd,
dat alle binnentrekkende glasaal een plaatsje vinden kan; de
vierde stap richt zich op herstel van een nog betrekkelijk kort
geleden verloren gegane, historische situatie; terwijl
uiteindelijk in stap vijf een volledig natuurlijke situatie
wordt nagestreefd. Tot welke stap dit pad gevolgd moet worden,
is een kwestie van overleg. Maar elke stap voorwaarts brengt het
herstel van de leefgebieden weer verder in de goede richting.
Conclusies
De aalstand in
heel Europa maakt een langdurige achteruitgang mee, sinds 1965
(rode en schieraal) resp. 1980 (glasaal). Als mogelijke oorzaken
zijn ondermeer genoemd: vervuiling, verlies van opgroeigebied
als gevolg van dammen en stuwen, toegenomen predatie door
aalscholvers, klimaatsverandering in de oceaan, overbevissing en
door de mens geïntroduceerde ziektes en parasieten. Hoewel de
oorzaak van de achteruitgang niet echt bekend is, lijkt het
aannemelijk dat het merendeel van de genoemde factoren wel een
rol gespeeld heeft. Niet alle problemen lenen zich om door
beheersmaatregelen op korte termijn te kunnen worden aangepakt (b.v.
klimaat) Eerste prioriteit is daarom het behoud van een
voldoende grote paaistand veilig te stellen, d.w.z voldoende
schieraal uit onze wateren terug te laten keren. Dit vergt
landelijk beheer van de aalvisserij, in combinatie met het
herstel van leefgebieden. De streefbeelden hiervoor zijn in
grote lijnen duidelijk. We kunnen aan de slag!
|